Je loopt of rijdt er dagelijks overheen zonder erbij stil te staan. Maar achter elke Nederlandse straatbaksteen schuilt een heel systeem van keuring en controle. Al meer dan twee eeuwen wordt elke steen nauwgezet gekeurd en gevolgd, van oven tot wegdek.
Leiden, foto Wienerberger
Ons Nederlandse wegennet heeft een Franse oorsprong. In 1811 voerde Napoleon Bonaparte zijn routes impériales in: genummerde hoofdwegen die als spaken van een wiel naar Parijs liepen.
“Parijs gold voor Napoleon als het middelpunt van Europa. Vanuit alle windstreken liepen wegen naar de hoofdstad toe, als de draden van een spinnenweb,” legt Wouter van Hees, keurmeester bij KIWA, uit. “Ook Nederland werd in dit netwerk opgenomen. Na het vertrek van de Fransen nam Rijkswaterstaat het beheer van ons wegennetwerk over.”
Napoleon en het wegennet
Na Napoleons val in 1815 verdwenen de Fransen, maar hun infrastructuur bleef. Rijkswaterstaat nam het wegennetwerk over en bouwde erop voort. Het eerste Rijkswegenplan uit 1821 volgde enkele van de bestaande Franse tracés. Die historische lijnen uit 1821 bepalen nog steeds ons wegennet. “Met de aanleg van deze wegen ontstond ook structurele aandacht voor materiaalkeuze en uitvoering,” aldus Van Hees.
Blijvertje
De eerste verbindingsweg van 17 kilometer tussen ’s-Heer Arendskerke en Kapelle (provincie Zeeland) werd al in 1650 uitgevoerd in straatbaksteen en deed ruim 250 jaar dienst. Toch was baksteen als vorm van bestrating in de negentiende eeuw nog een underdog. Rijkswegen werden vooral in natuursteen uitgevoerd. Maar in de twintigste eeuw kantelde dat beeld volledig. De straatbaksteen bleek een blijvertje: duurzaam, reproduceerbaar en oersterk.
Van Hees wijst op een historisch voorbeeld: “De A12 tussen Utrecht en Den Haag is de eerste weg die volledig in straatklinkers is uitgevoerd.”
Deze foto is genomen op de Rijksweg 12 (nu A12). Waar precies is niet bekend. De foto is gemaakt net na de opening van het wegvak en uitgevoerd in 1×2 rijstroken, dus net voor of net na WOII. Tijdens de wederopbouw is de Rijksweg 12 in 1955 verbreed naar 2×2 rijstroken.
Keuringscommissie
Tot begin 1900 stelde elk arrondissement zelf de eisen voor rijkswegen, wat voor grote kwaliteitsverschillen zorgde. Daarom richtte Rijkswaterstaat in 1919 de Keuringscommissie Straatbaksteen op. De stenen werden eerst in het laboratorium getest, later ook direct op de fabriek. Ambtenaren controleerden maandelijks de stapels op het tasveld. In de baksteenwereld is een tas een stapel stenen bij elkaar, vaak op een pallet of in een frame, zodat ze makkelijk geteld, gecontroleerd en verplaatst kunnen worden.
Wouter van Hees: “Elke partij kreeg een certificaat mee, zodat de eindgebruiker zeker was van de kwaliteit. In 1973 nam KIWA deze controles over. Op 22 september 1995 kregen de fabrikanten Boral, Waalsteenfabriek de Bylandt en Korevaar het KOMO-productcertificaat volgens BRL 2360. Voor het eerst werkten alle fabrikanten volgens een vaste interne kwaliteitsbewaking, die KIWA twee keer per jaar beoordeelt.”
Straatbaksteencontroles
Deze beoordelingsrichtlijn ontwikkelde zich in de loop der jaren tot de huidige BRL 2360. Daarin zijn niet alleen producteisen vastgelegd, maar ook voorschriften voor productie, procesbeheersing en kwaliteitsborging.
Sinds 1973 voert KIWA de straatbaksteencontroles uit. Rijkswaterstaat droeg de complete keuringscommissie over aan dit instituut, dat inmiddels actief is in een breed scala aan certificeringsdomeinen.
Tasveld
Geen steen ontsnapt
Het hele systeem draait om de BRL 2360. Dat is niet zomaar een lijstje met regels: het vertelt een fabriek precies hoe alles moet gebeuren, van het ijken van de schuifmaten tot de opleiding van het personeel. Van Hees legt uit: “Dankzij de BRL 2360 weten opdrachtgevers en wegbeheerders precies wat ze krijgen: sterke stenen, bekende herkomst en steeds dezelfde kwaliteit. Elke levering per tas wordt in de KIWA-database geregistreerd. Als een tas te veel stenen bevat, krijgt die geen keuringsdocumenten meer. Zo ontsnapt geen enkele steen aan de controle.”
Een KIWA keurmeester
Interne audits
Certificering werkt alleen als er structureel toezicht is. Daarom controleren keurmeesters zowel de kwaliteit van de stenen als de werking van de fabriek. Monsters van de stenen worden getest volgens vaste kwaliteitseisen. Daarnaast voert KIWA twee keer per jaar audits uit op het interne kwaliteitsborgingssysteem van de fabrikant. Van Hees: “Elke partij wordt gecheckt. Een tas kan uit meerdere deelpartijen van maximaal 200.000 stenen bestaan. Twee keer per jaar loopt iemand het tasveld na om te zien of alles klopt met de KIWA-database.”
Muzikaal gehoor
“Het keuren van straatbaksteen is echt een vak apart; je moet er een goed oor voor hebben,” vervolgt de KIWA keurmeester. “Tijdens een keuring lopen we langs de partijen om de stenen ‘af te kloppen’ met een hamertje. Aan die klank hoor je eigenlijk alles: je hoort meteen of er een onzichtbare breuk in zit of hoe het met de wateropname is gesteld. Het is een divers geluid waar je echt op getraind moet worden; ik zeg weleens dat je een bijna absoluut, muzikaal gehoor nodig hebt om het vak echt in de vingers te krijgen. Een nieuwe keurmeester loopt daarom minstens een jaar met ons mee, want dat fijngevoelige gehoor ontwikkel je niet in de schoolbanken, maar puur door meters te maken.”
Volendam, foto Wienerberger
Controles in de praktijk
De beoordelingsrichtlijn BRL 2360 beschrijft wat een fabrikant moet doen en waaraan straatbaksteen moet voldoen; de certificaten zijn de formele bevestiging dat daaraan wordt voldaan.
Binnen de Nederlandse straatbaksteenpraktijk onderscheiden we drie controlevormen:
- het KOMO-procescertificaat: toetsing van het productieproces
- de partijkeuring: beoordeling van het eindproduct
- het NL-BSB-certificaat: sinds 1 juli 2008 moeten fabrikanten per locatie een apart certificaat hebben voor milieucertificering. Dit Besluit Bodemkwaliteit is geïntegreerd in de BRL 2360.
Nederland vs. Europa
De Europese norm (NEN-EN 1344) beschrijft de methoden om eigenschappen zoals maatvoering, breuk en stroefheid te meten, maar legt geen bindende eisen op voor het eindproduct.
Wouter van Hees: “De Nederlandse BRL 2360 gaat een stap verder, door deze meetresultaten te koppelen aan concrete kwaliteitseisen en prestatiecriteria, afgestemd op de Nederlandse praktijk en verkeersomstandigheden. Daarmee biedt de BRL 2360 zowel fabrikanten als opdrachtgevers houvast over de geschiktheid en betrouwbaarheid van straatbaksteen in de openbare ruimte.”
Kwaliteit en vakmanschap
Nederland geldt internationaal als koploper in de certificering en het toezicht op straatbaksteen. Wouter van Hees: “De BRL 2360 wordt continu aangepast aan technologische en maatschappelijke ontwikkelingen.” Zo gaat de BRL mee met zijn tijd.
Inmiddels zijn de eisen aangescherpt voor ergonomie, machinale verwerking en maatvoering. Zo blijft elke straatsteen niet alleen vandaag, maar ook voor toekomstige generaties kwaliteit en vakmanschap waarborgen.
Renkum, foto Wienerberger
Certificering van hernieuwbare klei
Nieuw is dat het aandeel hernieuwbare klei in een KOMO-gecertificeerde straatbaksteen nu officieel kan worden vastgelegd volgens BRL 7010. Daarmee wordt inzichtelijk hoeveel klei opnieuw wordt gebruikt, bijvoorbeeld uit projecten voor rivier- of dijkversterking.
Dat past goed bij de ambities van circulair bouwen. Straatbakstenen gaan zeer lang mee en kunnen na gebruik in hoge mate opnieuw worden toegepast. Door hernieuwbare klei te certificeren, wordt die circulariteit concreet en aantoonbaar; zonder in te leveren op kwaliteit of uitstraling.
